2010 nieuwe formule - nieuwe website
15-01-2010

v e r s 2010, een evenement met het hele jaar door activiteiten rond 16 jaar VSB Poëzieprijs.
Nieuw in de formule zijn o.a. de PoëzieClips. Binnenkort is ook deze website vernieuwd.

Scholen kunnen zich aanmelden
12-11-2009

Voortgezet Onderwijs scholen uit Maastricht en Rotterdam kunnen zich aanmelden voor deelname aan
v e r s in het voorjaar van 2010.
Scholen uit Antwerpen en Tilburg kunnen zich aanmelden voor deelname in het najaar van 2010.
Via vers@schoolderpoezie.nl of via een belletje naar Sarien Zijlstra, School der Poëzie 020-3307817.

UITMARKT in Amsterdam
24-08-2009

Tijdens een speciaal jongerenprogramma op de UITMARKT staan Pieter Lobbezoo, Leonie Kuhlman, Vicky Breemen, Kelly Breemen en Youssef el Markhous (bekend van o.a. v e r s en Y-POETRY) zaterdag 29 augustus om 13.30 op het podium van de Theaterschool aan de Jodenbreestraat 3 in Amsterdam. Welkom!

Schrijftips  8 - 13 jaar (archief 2007)

8 - 13 jaar


Hallo jonge dichter!
Dit jaar zijn vijf dichters met hun bundel uitgekozen voor de VSB Poëzieprijs 2007. Eén van deze dichters gaat de prijs winnen.
Je kunt een gedicht schrijven over de titels van de genomineerde bundels:
1. De herfst van ZorroAl Galidi
2. ‘De voorbode van iets groots’Dirk van Bastelaere
3. IJsgangAnneke Brassinga
4. Wuif de mussen uitJoke van Leeuwen
5. Hoe je geliefde te herkennenTomas Lieske

Helemaal onder aan deze pagina lees je ook gedichten van de genomineerden. Dus...als je wilt kun je daar ook een gedicht op schrijven. Onder elk gedicht staat een schrijfopdracht.
Onder meedoen vind je het reglement. Daar staat ook hoe je jouw gedicht kunt opsturen.

Hier komen de tips!

1. De herfst van Zorro
Stel je voor dat je een schilderij maakt met woorden. Zorro staat er op.

  • Maar jij verzint waar hij is en hoe hij eruit ziet. Is er een landschap om hem heen? Hoe ziet het eruit? Zijn er dieren te zien? Wat doen ze? Hoe zijn zijn handen? Zijn mond? Zijn schouders? Houdt hij iets vast? Waar kijkt hij naar? Wat doet Zorro in de herfst? Wat denkt hij? Hoe is het om een held te zijn? Is Zorro ook wel eens bang? Wat droomt hij? Wat wil Zorro graag?


  • Schrijf eerst losse woorden op die antwoord geven op deze vragen.
    Zet dan een streep onder de belangrijkste woorden.
    Kun je bij deze woorden nog woorden vinden die het voor de ‘schilder’ duidelijker maken?
    Bijvoorbeeld: handen: grote bruine handen
    lucht: blauwe lucht met schapenwolken

  • Schrijf nu een gedicht van acht tot twaalf regels.
    Niet rijmen. Gebruik de belangrijke woorden.
    Lees het gedicht hardop. Klinkt het goed? Zijn er woorden die je kunt schrappen? Geef het gedicht een titel.



Even een paar belangrijke algemene tips!
NIET RIJMEN!
Verboden woorden: leuk, natuur, mooi, en toen, tranen.
Deze woorden mogen niet in de gedichten voor komen!


2. ‘De voorbode van iets groots’
Jouw gedicht gaat straks over iets groots. Iets groots wat er nog niet is maar gaat komen. Het gedicht kan gaan over iets dat groot is om te zien (een olifant, een flat, een vliegtuig) maar het kan ook gaan over iets heel bijzonders dat gaat gebeuren en dat je graag mee wilt maken.

  • Bedenk waar jouw gedicht over zal gaan.
    Stel je voor dat je wacht op iets groots. Hoe kun je merken dat het gaat komen? Wat doe je terwijl je wacht? Hoe ziet het grote eruit?

  • Probeer jouw gedicht geheimzinnig te houden. Leg niet uit waar je op wacht.
    Gebruik kleuren, geluiden en beschrijf het kleinste van het grote dat je kunt verzinnen. Schrijf bijvoorbeeld over het kwastje aan de staart (van de olifant)
    of de postzegel op de gekreukte envelop (van de brief).


  • Schrijf een gedicht van acht tot twaalf regels over iets groots waarop jij wacht.
    Niet rijmen. Niet verklappen wat het is. Geef het gedicht een titel.


3. IJsgang
Stel je voor dat je een foto in jouw computer hebt van een IJSGANG en dat je er van alles aan kunt veranderen.

  • Wat is er onder het ijs te zien? Wat gebeurt er op het ijs? Waar is het ijs? Zijn er ook bomen? Schaduwen? Gras? Bloemen? Huizen? Hoe zien ze eruit? Is het ochtend, middag, avond of nacht? Is er lucht te zien? Is het een gang van ijs? Kun je er in? Of loopt iemand over het ijs? Alleen? Ligt er ook sneeuw? Wat zie je nog meer? Wat zou je nog aan de foto toevoegen? Kun je iets aan toevoegen wat in het echt niet bij ijs zou kunnen? Voeg je ook dingen toe die wel bij ijs passen? Wordt het een drukke of een stille foto?


  • Maak een klein tekeningetje van jouw ijsgang. Het maakt niet uit of je goed of slecht kunt tekenen. Als je maar bedenkt hoe de foto er uit komt te zien.


  • Schrijf nu een gedicht van acht tot twaalf regels dat vertelt over jouw IJSGANG. Schrijf het op alsof alles in nu gebeurt (in de tegenwoordige tijd).
    Gebruik de antwoorden op de vragen en kijk naar de tekening.
    Niet rijmen. Lees je gedicht hardop. Klinkt het goed? Wil je nog iets aan de volgorde van de woorden veranderen? Zijn er mooie woorden die je wilt herhalen?


4. Wuif de mussen uit
Schrijf een gedicht over afscheid nemen. Iets of iemand gaat weg.

  • Schrijf op hoe je afscheid moet nemen. Wat moet je zeggen? Wat moet je meegeven?
    Waar kun je het beste afscheid nemen?


  • Schrijf het zo op dat het klinkt als een recept van acht tot twaalf regels.
    Wat heb je nodig? Hoe moet je beginnen? Wat doe je daarna?
    Maak er een opdracht van voor iemand anders. Wees streng. Denk aan alles.
    Maak ook grapjes.
    Bijvoorbeeld:

    Ga in de deuropening staan.
    Doe je blauwe muts op.
    Kijk naar de glimmende auto.
    Luister naar de voetstappen op de trap.
    Zing het lievelingsliedje.
    Droom van een grote neus.
    Geef een zelfgebakken koekje
    Vouw een vliegtuig van papier
    Kauw niet op kauwgom
    Zwaai naar opa



5. Hoe je geliefde te herkennen

  • Stel je iemand voor die een geliefde zoekt. Of stel je iets voor dat een geliefde zoekt. Bijvoorbeeld een rode bank zoekt een zacht kussen om van te houden, een poes zoekt een schoot, een regenplas zoekt een drumstel, een mond zoekt een aardbei.


  • Leg nu uit hoe je kunt weten dat het je geliefde is.
    Waar kun je een geliefde vinden?
    Wat doet de geliefde?
    Hoe ziet de geliefde eruit?
    Hoe kun je de geliefde veroveren?
    Wat doe je? Wat zeg je?


  • Schrijf nu eerst op hoe degene eruit ziet die een geliefde zoekt.
    Waar is diegene? Wat doet diegene?
    Vertel dan hoe de geliefde eruit ziet.
    Wat maakt hem of haar zo aantrekkelijk?
    Hoe ruikt de geliefde?
    Dan geef je wat tips aan degene die zoekt.
    Maak er een gedicht van dat bestaat uit acht tot twaalf regels.
    Niet rijmen. Verklap niet hoe het afloopt.


TIPS BIJ DE GEDICHTEN

1. Gedicht van Al Galidi
Zwart-wittelevisie in de schuur vertelt zijn verhaal aan Zorro

Ik ben zwart en wit.
Iets in mij
geeft andere kleuren geen kans.
De zee trekt haar blauw uit in mij.
De tuin die door mij naar ogen reist,
trekt zijn schaduw aan.
Ik ben een begraafplaats voor kleuren.
De stilte kan mij niet redden
van zwart en wit.
Handen
laten mijn zwart en wit
nachtenlang
zacht schreeuwen
of schreeuwend fluisteren.
Maar ik ben niet negatief,
niet nerveus.
Alleen zwart en wit.
Nu de wereld verandert
in zwart en wit
ben ik
verlaten
tussen zwart en wit.

Schrijfopdracht

  • Zoek in je hoofd en je herinnering naar een voorwerp dat je in de schuur, op zolder of in de kelder hebt gezet.

  • Schrijf daarover je gedicht.
    Het voorwerp mag je niet noemen in je gedicht. Dat blijft geheim.

  • Schrijf over vroeger
    - wat hij of zij of het zo goed kon, of wat jij er zo goed mee kon
    - wat hij of zij of het altijd deed
    - waarom je zo van het/hem/haar hield
    Verplaats je in het voorwerp, jij bent het zelf een beetje.

  • Schrijf dan over nu
    - wat hij of zij of het nu ziet
    - wat hij of zij of het nu hoort
    - wat hij of zij of het nu denkt
    - en voelt of vindt van de plek waar hij of zij of het is weggezet.


BIJVOORBEELD
Ik ben een ding van staal
en helemaal uitvouwbaar
Iets in mij geeft muziek een kans,
geluid een lekker liedje
Ik ben een steun voor musici
Ik ben een ding van staal
Daar lig ik dan allenig
In zwarte plastic hoes
Ik hoor de kat miauwen
Die stomme witte poes
Ik zie geen noot voor ogen
Ik voel me opgevouwen
Ik vind mij een gedicht



2. Gedicht van Dirk van Bastelaere
De hele vis


De dansleraar lacht
‘Vertrouw nooit iemand.’
‘Nederig blijven.’
Mijn Chinees is niet zo goed:
ik steun mijn hoofd tegen de muur.
Ga een ander treiteren.
Zij hier, zij zuigt op m’n vinger, een witte vis
zonder water. Een kruispunt.
Deze straat is enkele richting en die andere
daar kun je niet in.
We worden verwacht na de dansles.
Naast het tableau zitten Ying Ying
en haar minnaar:
Chinezen eten
de hele vis; onder het verguldsel
van een heus baldakijn
zitten ze als ouders in een glamourscène bevroren.
Haar hand op zijn mouw. Morgen
noemt hij haar poes,
maar kan ze iets voor hem doen?
In de groene kamer
wordt er gelachen
Een schitterend stel

Op de betegelde tafel
fileert men de vis

Schrijfopdracht

  • Lees het gedicht heel goed. Ook al begrijp je er niks van.

  • Kies er 5 regels uit en schrijf die onder elkaar op:
    - 1
    - 2
    - 3
    - 4
    - 5

  • Bedenk welke plaats (kamer/gebouw/plek) hoort er bij die regel. Schrijf die erachter.

  • Bedenk welke personen (meisje/jongen, dame, taxichauffeur) horen er bij die regel. Schrijf die erachter.

  • Bedenk wat voor eten en drinken horen er bij die regel. Schrijf die erachter.

  • Bedenk welke geluiden of welke muziek(tango/zang/slagwerk,house) hoort er bij die regel. Schrijf die erachter of er onder.


  • Schrijf nu een gedicht van 8 tot 12 regels maar dan met al die nieuwe dingen erin, die jij hebt bedacht.
    - de volgorde wil je misschien veranderen? Doe dat!
    - zoek 1 regel uit die je de mooiste vindt en gebruik die nog een keer onderaan of tussen de andere regels in.
    - Geef jouw nieuwe gedicht een titel!


BIJVOORBEELD
Liedje

Naast de tempel zit
Ying Ying met haar vriendje
Ze happen samen
in een suikerspin
De bronzen tempelgong bromt
Ying Ying noemt haar vriendje Spin Spin
De tempelbelletjes tinkelen
Ying Ying SuikerSpin



3. Gedicht van Anneke Brassinga
TUIN


Alle takken en dat zijn er vele
wiegelen van zojuist weggevlogen vogels.
Nu de vogels onzichtbaar waren
noem je dit wind, maar bewijs
levert zich niet. De beweging blijft
hetzelfde erbij: hoogst veranderlijk.
Onzichtbare vogels
kunnen evengoed apen zijn als wind –
vederlichte apen, gevleugeld wellicht
of lichaamloos.

Schrijfopdracht

  • Ga in gedachten linksaf en loop door tot de derde straat aan de rechterkant. In die straat is jouw tuin. Niemand weet hoe jouw tuin er uit ziet. Jij wel.

  • In jouw tuin is iets heel bijzonders te zien. Hoe ziet het eruit?

  • Er zijn geluiden te horen maar soms is het er ook heel stil. Er zijn bloemen, planten, bomen en dieren. Hoe zien ze eruit en wat doen ze?

  • Sommige bloemen, planten en bomen zijn alleen te zien in jouw tuin. Is er ook groente? Gereedschap? Een hut of een bankje of een vijver?

  • Jij bent er ook. Wat doe je? Wat voor weer is het? Wat beweegt er?


- Schrijf een gedicht van 8 tot 12 regels over jouw tuin.
- Niet rijmen.
- Herhalen mag.

Een voorbeeld:
Tuin

Het waait hard
Mijn roze aardbeiboom schudt heen en weer
Oranje eekhoorns springen op de sla
De schommel piept
Over de hark kruipt een kever
Zijn schild is groen en bruin
Ik tel zijn pootjes
Rode aardbeien op de zwarte aarde,
handenvol
De schommel piept
Het waait hard



4. Gedicht van Joke van Leeuwen
Iemand moet de tafel dekken


Maar ik heb het gisteren al gedaan ik heb
de glans in de glazen gelaten ik heb
het bestek weer eens opgewreven ik heb
gezegd wat er lekker zou worden ik heb
mijn handen gewassen gewassen ik heb
mijn handen gewassen ik heb
etiketten gelezen, ik ken ze, ik heb
me verzet tegen oorlog want dat het
gedaan moest zijn ja, met die onzin,
gehoopt heb ik ook en wel dat het een
aard had, geschikt en geschoven.

Jij bent.
Iets koekt al aan.

Schrijfopdracht

  • Lees nog 1 x het gedicht van Joke van Leeuwen...Iemand moet de tafel dekken.


  • Schrijf voor jezelf een regel op, die zo begint “Je moet ....
    en daarachter schrijf je iets op dat jij moet doen, maar erg vervelend vindt,
    zoals ...
    Je moet je bed opmaken
    Je moet het bord uitvegen
    Je moet mee boodschappen halen


  • Bedenk drie smoezen, waarom je vindt dat je het niet hoeft te doen.
    Mijn band is lek...
    Ik heb het gisteren al gedaan...
    De brug is dicht.....
    De hond heeft mijn shirt opgegeten....


  • Schrijf 3 regels op, met dingen die je veel liever doet ...
    Maar ik wil nog teevee kijken
    Maar ik moet zo naar sporten
    Maar ik heb mijn boek nog niet uit..


  • Schrijf nu je gedicht, begin met de regel:
    Je moet ...
    Bepaal daarna wat de verdere volgorde moet worden van je regels.
    Doe er ook 1 of 2 witte regels tussen.


  • Eindig het gedicht met twee uitspraken van je moeder.
    Dan moet je het zelf maar weten
    Dan mag je morgen niet naar streetdance


5. Gedicht van Tomas Lieske
Een horlogemaker tot de verwarde onderdelen


Jullie kleine, zotte, vingernageldikke, hemellichte
onderdelen die in een schommelwankel schakelslinger tempo
tussen de tanden van het rad moeten grijpen maar ontsnapt zijn
uit de gang.

Jullie kopermetalen, overlangs gegroefde springers,
die met zijn allen tijd vermalen, in cilinders
proberen te verstoppen, op de wijzers van het uurwerk
blijven kloppen.

Jullie felle, harde schittervrouwtjes met je blikken glans
en je tandjes die in mijn dikke vingers bijten en mij steken
in mijn wijzer en mijn slagwerk en mijn spillengang, mijn
gaande werk.

Ach kleine, rotte krengen, herstel de oude tijd.
Slinger naar mijn wens,
balanceer onder mijn loep,
schommel tot mijn genoegen,
en grijp.

Schrijfopdracht

  • Lees het gedicht nog eens.


  • Maak een tekening van het binnenste van een machine.
    Een machine die je zelf zou willen uitvinden of een machine die je kent en graag uit elkaar zou willen halen of misschien wel eens uit elkaar gehaald hebt.


  • Schrijf nu vijf woorden op die gaan over onderdelen van de machine. Je mag zelf namen verzinnen voor deze onderdelen. Het hoeft niet echt te zijn.
    Schrijf ook op wat voor geluiden ze maken, wat voor bewegingen en hoe ze eruit zien.


  • Schrijf nu drie strofes die beginnen met ‘jullie’. De eerste keer praat je misschien tegen de wieltjes. Bij het tweede couplet praat je tegen hendels of knoppen. Bij de derde strofe praat je bijvoorbeeld tegen deksels, schroeven of trappers.
    De laatste zin van het gedicht begint met ‘Ach’.









13 - 20 jaar


Dit jaar zijn vijf dichters met hun bundel uitgekozen voor de VSB Poëzieprijs 2007.
1. De herfst van ZorroAl Galidi
2. ‘De voorbode van iets groots’Dirk van Bastelaere
3. IJsgangAnneke Brassinga
4. Wuif de mussen uitJoke van Leeuwen
5. Hoe je geliefde te herkennenTomas Lieske
Eén van deze dichters gaat de VSB Poëzieprijs winnen. Op 27 april wordt bekend gemaakt wie.


Onder meedoen vind je het reglement. Daar staat ook hoe je jouw gedicht kunt opsturen.

Hier zijn de schrijftips
NIET RIJMEN!
Verboden woorden: leuk, natuur, mooi, en toen, tranen
Deze woorden mogen niet in de gedichten voor komen!
Een gedicht mag maximaal acht tot twaalf regels lang zijn.

Onder genomineerden zie je de namen van de dichters staan in roze letters. Klik op de naam van de dichter en daar tref je informatie over de dichter aan en enkele gedichten.

SCHRIJFOPDRACHTEN

AL GALIDI
1. Gebruiksaanwijzing


Lees het gedicht Gebruiksaanwijzing.

  • Kies een hoofdpersoon voor jouw gedicht. Het kan een personage zijn dat je zou kunnen bewonderen of waarderen: een held, een skater, snelle schaatser, filmer, een wetenschapper, de oudste mens ter wereld, een mooie vrouw, ‘ik’.

  • Kies drie delen van het lichaam van jouw personage (hoofd, hart, hand of voet, oog, arm, benen, mond etc.)
    Stel je nu voor dat dit lichaamsdeel wordt geassocieerd met een (deel van een) gebouw.

  • Schrijf dan een gebruiksaanwijzing in de stijl van Al Galidi waarbij je per lichaamsdeel vier regels kunt besteden.

  • Sluit jouw gedicht af met een slotopmerking gericht aan iemand die eerder door jouw beschrijving werd buiten gesloten.


2. Vredesbespreking van het hart van Zorro met de rust

Lees het betreffende gedicht. Klik
  • Schrijf een gedicht van 12 – 18 regels waarbij je telkens een regel laat beginnen met ‘Ik’ en de volgende regel met ‘zoals’.

  • Probeer voor de laatste regel iets raadselachtigs te verzinnen. Gebruik het woord ‘Golf’ niet.


DIRK VAN BASTELAERE
Lees een of meer gedichten van Dirk van Bastelaere.

1. Zelfportret van de week.
  • Spoel jouw afgelopen week als een film door je hoofd.
  • Maak aantekeningen. Schrijf grote dingen op maar ook details. Schrijven is weggooien. Kiezen doe je later.
    Zap door je week.

  • Kies twee woorden en schrijf bij deze woorden andere woorden die er bij horen
    - Schrijf vreemde zinnen op die je gehoord hebt deze week.
    - Wat is een goede zin om een geliefde te versieren?
    - Wat zegt jouw geliefde terug?
    - Kies twee regels uit één of meer gedichten van Van Bastelaere.

  • Schrijf nu een gedicht waarbij elke regel een andere lengte heeft.
  • Maak gebruik van de woorden en regels die je verzameld hebt.
    Verander. Schrap. Voeg toe.


2. Antwoorden op een enquête
Lees het gedicht Antwoorden op een enquête van Dirk van Bastelaere.

  • Stel je voor dat je in de trein zit en een mobiel telefoongesprek hoort. De antwoorden zijn de regels in het gedicht van Dirk van Bastelaere.

  • Verzin vragen waarop de regels uit ‘Antwoorden op een enquète’ antwoorden zouden kunnen zijn.

  • Stel uit die vragen jouw gedicht samen.


ANNEKE BRASSINGA

1. Gefundenes Fressen


Lees het gedicht Gefundenes Fressen.
In het gedicht zitten veel citaten van bekende dichtregels maar dan in een andere vorm. Er komen ook woorden
in voor die zelf verzonnen zijn als spruitloos en gefanzanteerde.

  • Schrijf woorden op die op een menukaart zouden kunnen staan, verzonnen woorden of bestaande woorden. Denk aan namen van pasta’s, beschrijvingen van verrukkelijke gerechten.
  • Schrijf een paar spreekwoorden op of verzin en verander er een paar.
  • Schrijf regels op die je kent uit gedichten, liedjes (wel in het Nederlands of in het Nederlands vertalen) en reclames.

  • Stel nu een gedicht samen van maximaal tien regels. Begin met het woord ‘Hoe’.
    Verzin ook een titel.


2. ’Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief’

Lees dit gedicht van Anneke Brassinga.

Stel je nu een schilderij voor waar twee mensen op staan die van elkaar houden. Stel je voor wat voor lichaamshouding ze hebben en hoe ze ten op zichtte van elkaar staan, zitten of liggen. Wat voor kleding dragen ze? Is er nog iets te zien van de ruimte waar ze zich bevinden of van het landschap om hen heen?
  • Maak een kleine schets van dit schilderij. Deze tekening is een hulpmiddel. Kies nu voor één van deze twee mensen. Dit wordt de hoofdpersoon van jouw gedicht. Deze ‘ik’ kijkt liefdevol naar de ander en beschrijft het uiterlijk van hem of haar.
  • Schrijf ten minste vijf woorden op die gaan over wat de ‘ik’ bij zijn of haar geliefde opvalt. Voor elk woord bedenk je een vergelijking of een bijvoeglijk naamwoord. Bijvoorbeeld: de blanke huid wordt in het gedicht van Anneke Brassinga roomsoezerig genoemd. Haar jurk schroomvol.

  • Stel je nu voor wat voor gevoelens de geliefde bij de ‘ik’ opwekt. Probeer dat zo indirect mogelijk uit te drukken, dus niet ‘ik houd van haar’ maar bijvoorbeeld ‘jouw gezicht weerspiegelt in iedere ruit’. Je kunt zelf ook uitdrukkingen verzinnen of gebruiken die archaïsch aan doen zoals ‘mijn stoof van suikering’.
  • Schrijf een gedicht van maximaal twaalf regels.


JOKE VAN LEEUWEN

1. Lees het gedicht GESCHENK van Joke van Leeuwen.
  • Stel je voor dat iemand jou een geschenk wil geven. Stel je voor wie het aan jou wil geven en wat het is.
    Het is een geschenk waarvan de gever niet zeker weet of jij het zult waarderen. Het laat zien hoe de gever over jou en jouw leven denkt. Hij of zij heeft iets gekozen wat jij volgens hem of haar kunt gebruiken.
  • Stel je voor hoe het is ingepakt. Hoe ziet het geschenk eruit? Wat voor kleuren, details kun je benoemen? Is het iets waar je blij mee zou zijn? Wat voor zinnen zou de gever tegen jou zeggen terwijl je het uitpakt?
  • Schrijf een gedicht waarin je beschrijft wat er gebeurt en wat er gezegd wordt en wat je denkt terwijl je het uitpakt (maximaal 12 regels)


2. Lees het gedicht READY MADE, TWEE KLEUTERS van Joke van Leeuwen.
  • Kies twee hoofdpersonen die in een (strip)verhaal zouden kunnen voorkomen (een (strip)verhaal dat je zelf verzint). Stel je voor wat er aan de hand is. Wat doen ze? Waar zijn ze? Zijn ze het eens met elkaar of juist niet?
  • Schrijf een korte dialoog tussen deze twee personages. Maximaal acht regels.


3. Variatie op bovenstaande.
  • Ga uit van twee vriendinnen die ruzie met elkaar maken.
  • Schrijf een korte dialoog. Maximaal acht regels.

Voorbeeld:

Meisjesgesprek

Handschoentjes weer aan, zie ik. Staan je goed.
Dank je. Jouw dansschoentjes mogen er ook zijn.
En je toffe jurkje met die namaakrandjes!
En jouw elegant handjes met die namaaknagels!

Even serieus, je ziet er top uit
Hetzelfde wil ik van jou zeggen
Waarom zeg je dat dan niet
Omdat ik het nu toch zeg


TOMAS LIESKE
1. Lees het gedicht ENQUÊTEVROUW VRAAGT HET PUBLIEK.

Stel je voor dat je iemand zes vragen gaat stellen die nogal gewaagd zijn.

  • De eerste vraag gaat over de verhouding van diegene aan wie je de vragen stelt tot de natuur. Begin met het woord Wanneer. Gebruik net als Tomas Lieske twee voorbeelden in de vraag.

  • De tweede vraag gaat over passie, hartstocht, geluk en ongeluk. Begin met de woorden Kruis aan. Probeer een voorbeeld te gebruiken.

  • De derde vraag gaat over problemen. Geef een voorbeeld waarin een woord voorkomt dat met ruimtes en gebouwen te maken heeft. Begin met Veronderstel.

  • De vierde vraag gaat over ambitie en zelfvertrouwen. Begin met Wie. Gebruik eventueel ook Hoe en Straalt.

  • De vijfde vraag gaat over de huiselijke situatie. Gebruik een vergelijking en begin met De.

  • De zesde vraag gaat over de vragen zelf. Begin met Bedenk.

  • Stel een gedicht samen uit jouw vragen.
    Maximaal 18 regels (Uitzondering!).

  • Het is ook mogelijk om andere beginwoorden te kiezen en vragen weg te laten.


Voorbeeld:
Onderzoek

Als de appels blozend aan de bomen hangen, wordt u
dan dorstig en plukt u ook een emmer voor de buren?

Markeer wat in uw leven swingt, zet richtingwijzers naar
alle kamerhoeken waarin een ongelukje kan zitten

Veronderstel een trappenhuis in uw lichaam. Hoe vaak
gaat u naar uw tenen om de post op te halen?

Wie een speldenknop wordt, weet zijn omvang. Kent
u zo iemand? Woont hij wellicht in een hooiberg?



2. EEN HORLOGEMAKER TOT DE VERWARDE ONDERDELEN

Lees het gedicht.

  • Maak een tekening van het binnenste van een machine.
    Een machine die je zelf zou willen uitvinden of een machine die je kent en graag uit elkaar zou willen halen of misschien wel eens uit elkaar gehaald hebt.


  • Schrijf nu vijf woorden op die gaan over onderdelen van de machine. Je mag zelf namen verzinnen voor deze onderdelen. Het hoeft niet echt te zijn.
    Schrijf ook op wat voor geluiden ze maken, wat voor bewegingen en hoe ze eruit zien.


  • Schrijf nu drie strofes die beginnen met ‘jullie’. De eerste keer praat je misschien tegen de wieltjes. Bij het tweede couplet praat je tegen hendels of knoppen. Bij de derde strofe praat je bijvoorbeeld tegen deksels, schroeven of trappers.
    De laatste zin van het gedicht begint met ‘Ach’.


3. HOE JE GELIEFDE TE HERKENNEN
Lees het gedicht van Tomas Lieske.
Stel je iemand of iets voor op zoek naar een geliefde.
  • Beschrijf de ontmoeting met de geliefde in drie stappen:
    - op weg
    - de ontmoeting
    - de gevolgen van de ontmoeting


De allerlaatste tip: je kunt ook een schrijfopdracht uitvoeren, die staat onder de leeftijd 8 - 13 jaar!