(foto: Hans Vermeulen)
ANNEKE BRASSINGA (1948)is een Nederlands dichter, prozaïst en vertaler.
Zij debuteerde in 1987 met de bundel Aurora en als romanschrijfster in 1993 met Hartsvanger. Ze verwierf bovendien bekendheid met haar vertalingen van werken van onder meer Vladimir Nabokov, Oscar Wilde, Sylvia Plath, Jules Verne en W.H. Auden.
Haar thema's zijn de natuur en de liefde, maar ook de taal. Om haar rijke woordenschat wordt zij vaak geroemd, evenals om haar taalvaardigheid. In haar gedichten deelt Anneke Brassinga intieme speldenprikken uit. Zij is liever niet merelloos en leert haar lezers 'Hoe te zoenen op straathoeken'.
Al in 1974 publiceerde Brassinga proza en poëzie in De Revisor onder het pseudoniem A. Tuinman. Haar werk werd bekroond met de Herman Gorterprijs, de Paul Snoekprijs en in 2002 met de VSB Poëzieprijs voor de bundel ‘Verschiet’.
GEDICHTEN uit IJsgang
IJsgang
De doorschenen mist tekent al schaduwen.
We trekken het water hoog op tot de kin
als lakens, zo rimpelend koel en gesteven,
we raken tezamen gebed, verweven voorgoed
in het ijle van vroeger toen vredig geen
woorden we gaven aan wat ons bindt, slaap
van de rede, gedroomde monsters tegemoet.
. . . . .
Gefundenes Fressen
Hoe hongert spruitloos het gefazanteerde
en te doorregen met zwaard en pasta brein:
de moeheid in een broodje
verkruimelt van het roeien langs geweldige lendenen
die drijven, ieder blauw gebeukt door branding
en toch boterzacht gesmoord. Te weinig jus? Altijd
stemgember! De dag staat
als een bavarois paraat – voor wie ik liefheb
wil ik eten, bij de gehaten ga ‘k
de teil met bloedmoer van geslachte kazen in.
. . . . .
‘Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief’
...het broderietje kruip ik over, ’t kuise
blozende vergood ik, schroomvol ruisende
de rode gewaden als bijna-dode wingerdbladen
om haar heen, een ruif is zij mijn haverkist,
mijn stoof van suikering, de kozende struise
een struikje broos, ik heb mijn hand op dit
broodje gelegd – de ruiker van haar konen
rozen, zij is het blote fruit aan mij geopend,
ruigte van het toegedane, schoon ontluiken
in hoofs genegenzijn, o vroom beschuitje,
boterschaapje, vlam van dromerig verpozen en
de roze handen, roomsoezige blankte schuilend
onder inkarnate korenschoof van ’t grootse
bruidje, en ik gouden man heb lief dit alleen
aan de dood te verliezene, glorende duifje.
. . . . .
*Gedicht geschreven op verzoek van Poetry International naar aanleiding van het schilderij ‘t Joodse Bruidje van Rembrandt. De titel is ontleend aan de regel ‘Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief’ van dichter Pierre Kemp

