Naast poëzie en proza vertaalde ze ook werk van Hugo Claus in het Engels. In 1958 verscheen haar eerste dichtbundel Gedichten 1946 – 1958.
Haar werk heeft een enorme taalrijkdom en verbeeldingskracht. In 1991 ontving ze de Anna Bijnsprijs in in 1992 de Prijs der Nederlandse Letteren. Haar gedichten werden in 2002 verzameld in Miroirs . Daarna verscheen nog de veelgeprezen bundel Mirabilia. Het werk van Christine D’haen gaat over liefde en dood, over strijd, geboorte, eeuwigheid en kunst.
Gedichten uit ► INNISFREE
FEMMES MORTES
3 -ˇ ˇ-
O sluip nog eens, Salammbô, tijgerkat
en steek de vuren van je ogen aan.
Zij wast en wringt haar haren in de teil
in hete kelderkeuken, dorp in stad.
Geheime liefdesbrief drukt zij aan ’t hart,
haar vingertip beroert de toetsen zacht.
Verboden lust muziek en liefde was
voor wie als kind zich aan de wand kan zien
op bruin portret, gekleed naar oude stijl.
In dikte tronend hief zij ’t laatste glas.
De Vlaamse Noordzee doodt. ‘Ma fille, Christine!’
▼ ▼ ▼ ▼ ▼
OUT OF KEY
3*
Der bloemen droefenis in dooi vergaat,
de bladen, oe, ooi, aa, het smolt,
der bloe droe i i het schuift, het drijft;
dit is als dat en meer en niet.
Met al van overal loopt vijver vol,
want iets is al, maar even stolt:
van tong en mond voor god gezongen woord
(elk instrument van vlees); het daalt en stijgt,
wat korter, langer, krachtiger, wat zacht,
in vormpatronen prachtig voortgebracht
voor binnen, waar men geestelijk hoort,
inwendig oog inwendig letter ziet,
gedroomd bewegen langzaam gaat
dat haast zo licht verrimpelt dat het staat.
Het feest is ooit geweest, het lied.
▼ ▼ ▼ ▼ ▼
AMIS VENEZ ENCORE NUIT
De avond valt over onze aarde, de maan is vol.
De zon ging rood als bloed onder, een flonker op goud.
Het groene verwoeste park zwart. Kom nu, misschien, hier.
De woning door hoge cipressen verborgen, afgelegen,
een paviljoen, geslagen door vlagen van regen.
(Binnen veel houtwerk, waarvan je niet houdt.)
Wilde rozen witte en roze ontbladeren verward door papaver
en paarse klaver (leid even die wingerd, snijd even die vlier?)
De klok viel stil (wil jij die opwinden?). Kom nu misschien hier,
bij je vriendin, bejaard en stil. Zijde, wol en katoen:
klederen, dierbaar, naar snitten van toen.
Wij eten samen, groente, wat vis,
bij glanzende wijn uit een mooi oud glas
omdat het voor één keer, de laatste keer, is
nu alles was zoals alles was.
Zie nu de boeken, met spraakkunst en vormleer,
woordenboeken (het Griekse met prachtig karakter),
woningen van de letterkundige Heer.
Maar je komt voor gedichten: weinig volmaakt,
zoveel fragmenten in zovele talen,
van jou en haar het steeds vervolmaakte,
samen te lezen als ademhalen.
Jij bent een geleerde, je deelt het haar mee,
en zij zegt ook wat – die luttele uren
moeten een heel gedroomd leven duren.
Zou je wel komen? In het binnenst verdriet?
Je zou verdwalen, en zij is er niet.
▲ ▲ ▲ ▲ ▲

