(foto: Hans Vermeulen)
DIRK VAN BASTELAERE (1960), geboren in Sint-Niklaas, is dichter, vertaler en essayist en geeft onder andere les aan de Koninklijke Academie van Antwerpen. Van Bastelaere citeert niet voor niets Spock uit de televisieserie Star Trek: 'It's life, Jim, but not as we know it.' Het is poëzie, Jim, maar niet zoals we het gewend zijn.
Dirk van Bastelaere begon met dichten toen hij germanistiek studeerde.
In zijn poëzie steeft hij er naar om het vertrouwde, gangbare wereldbeeld ter discussie te stellen. Hij breekt de categorieën van waarnemen en denken open om verborgen gebieden van het bewustzijn bloot te leggen.
In het gedicht raakt de taal van de symbolen en de overgeleverde beelden op drift.
Van Bastelaere wil de taalsymbolen van de conventies, de vertrouwde taal van ideologie en cultuur, kraken en afbreken. Hij wil taal vinden die zo dicht mogelijk bij het de werkelijkheid ligt: de wezenlijke, pijnlijke, verwarrende ervaring. Van Bastelaere's poëzie is ironisch-afstandelijk en kenmerkend voor een generatie jonge Vlaamse dichters met een sceptische houding ten aanzien van een wereld waar zij geen zin of samenhang in kunnen ontdekken. Alle zekerheden ontbreken en de werkelijkheid is fragmentarisch en absurd. Schrijven over die werkelijkheid is een spel en het gedicht is dan ook een spel: een autonome tekst met meerdere betekenissen. Het is de tweede keer dat hij genomineerd is voor de VSB Poëzieprijs.
GEDICHTEN uit 'De voorbode van iets groots'
(N.B. op deze site is de typografie anders dan in zijn bundel)
ANTWOORDEN OP EEN ENQUÊTE
- Ja
- Ja
- Geen denken aan
- Twee vreemde zussen
- De sfeer op de set, maar ook de catering
- Daarvoor heb ik trompetlessen gevolgd
- We zijn gewoon goede vrienden
- Ik heb haar nog nooit ontmoet, maar ze heeft geweldige
wenkbrauwen
- Ik draag ze allebei
- Niet in New Jersey
- De zeug is van mij
. . . . .
Bijna
gaf ik te kennen
iemand in zijn uitspraken
aangespoeld – een afgekondigd hiernamaals, wat een giller,
vernielde muren, de negen, aardbeien opengesmeerd, tot
vandaag een staketsel, gladgeschaafd, veengrond naar veen-
grond, de mobiele stad, flitsluchten, van het vizier, een sche-
ve kaak, voor de zelfontspanner, want zo weet ik je te vinden,
we branden allemaal op – maar weet ze wat ze bedoelt?
Verwoord treedt het in
tot het louter afvallige
en wie zei iets over afkeer
of vervulling?
Soms zie ik een enorme modderstroom en ik denk:
tijd om te gaan.
Is woudvlucht nog mogelijk?
(National Geographic)
Is de wereld vol
getrouwde mannen?
(Jackie Collins)
ik zie er als een berg tegenop
daar is een berg daar
ben ik er weg van
. . . . .
DE VERFILMING
een
(rood)
(water)
(brekend glas)
regenjasje
een bal in de vijver
een dia waarin bloed opwelt
Wat drijft een mens
naar Venetië, vooral in een wanhopige burberry?
Restauratie, opvliegende duiven, het water
in klotsende kelders,
De stad is in vele hoofden
Ze lijkt daarom te hebben gevraagd, al zijn haar motieven
onduidelijk, alsook haar methoden
Mogelijk vraagt haar organisatie van water
naar mensen die sterven
willen of de voorsmaak daarvan
Neem deze vader
Hijgend, brullend,
geknield in een vijver met In zijn armen zijn dode kind
een krachtige pose van Donald Sutherland voor verdriet
waarin zich de stad aankondigt en het boek,
beste kijkers, vernielde het kind
met meningitis
Werd je maar overspoeld
door dat gevoel voor het onnavorsbare dat uit Daphne du
Maurrier
opstijgt als een troep ravenzwarte
veren, een of andere oeroude, neurotische
behoefte bevredigend
of Een steekmes
dat de huid doorboort, de weerstand van een tomaat
met schil
Niet elk personage begrijpt dat
de toekomst
tussen de Tegenwoordige dingen bloedt
een gondel, met daarop vrouwen
in rouwgewaden, een man verblind door verdriet
een rode sjaal, de last
van een dood kind
wie loopt op kleine voeten door het duister?
Zit ook de besnorde commissaris
in het complot?
al-jebr, het samenvoegen van scherven
In het minste
gebaar zit de fatale mechaniek
van de afloop
En dan zien we het gezicht van het
(lot)
Nee! Niet doen!
Niet kijken
Voor het te laat is
en daarna
. . . . .

