Gedichten uit ► De Dame van de Tapisserie
WANDTAPIJT VAN DE HEROVERING
Ongeslepen leggen in de zomer vogels vele
vinken hun tovertrouwring om het verstand.
Voor het open raam staan de pronkpaviljoenen
gekasteeld, al de godshuizen van het goudland.
Naar de jonkvrouw in haar paleis in de woestijn
is het dat ik als een stil vel papier opbrand.
Voor haar, schoonheid en koemeid, houd ik rust
in de wellust van heet kaarsvet over haar hand.
▼ ▼ ▼ ▼ ▼
WANDTAPIJT VAN DE HEROVERING
Het wordt al op een zolderkamer verzonnen, alles
wat de zinnen aankunnen. Concrete hemel in de hel.
Het rooskleurige oosten bloeit me welkom, Eoosrood.
Het dode westen zegt namens mij al wat leeft vaarwel.
Het witgelakt onheldhaftig ijzeren 1-persoonsledikant,
het zeil op de vloer getuigt: ik ben zonder metgezel.
Tegen al mijn uitgeteldliggingen sterkt fameuze minne,
minne mijn adem dat ik onder snelvoetigheid meetel.
▼ ▼ ▼ ▼ ▼
WANDTAPIJT VAN DE HEROVERING
Naar het lofweefsel op haar getouw steekt
verweduwde edelvrouw geen hand uit vandaag.
Hoe de ongedenkwaardige doelverlorengeboren
dag zijn vaan heft tegen mij is godgeklaagd.
Zo poseert, een laag bladgoud tot aangezicht,
tot op de draad versleten x in zijn sarcofaag.
De spin die voor mijn celraam uithangt melkt
haar vangst, de verstikte strontvlieg, traag.
▼ ▼ ▼ ▼ ▼
GRAND CHANT
Dat om aan de ronding van haar heupen haar majestueuze
malsheid te genieten mijn hand is gemaakt is wat zeker is.
De sculptuur van haar voet op mij! Geheimzinnig heil is in
in de wereld. Hiertelande gesignaleerd de eerste flamingo’s.
Gebrek aan tederheid alleen strekt jullie tot schande zegt ze,
zij die licht zou kunnen zijn de moordenares met het broodmes.
Uit doorsneehuiselijke omstandigheden (stilleven met vlagele
sleutelbloem in pot) maakt zich het grand chant courtois los.
▼ ▼ ▼ ▼ ▼
DE LAZUREN OORBEL ONDER DE RODEN
OF HULDE AAN RIK WOUTERS
‘Elk ding in dit mooi bij mijn hartzeer passend land is augustustreurig,
de brem radicaal verbrand; de blaren citroenelen al.’ Weet je nog wel?
Chère Moeke, van de gruwel en het vuur die de Ardense augustushoogten
tot hel verbouwd hebben ben ik in onnozele vastbeslotenheid weggegaan.
Jij en mijn kunst zijn me genoeg, alles. En het leven is zo mooi, zou
zo mooi kunnen wezen voor ons tweeën omtrent Bosvoorde of Welriekende.
AL DIE JONGE DODEN verblindt me maar het lukt me elke dag menswaardige
beelden in te roepen, ook dat een manier mogelijk nog van kunst maken.
▼ ▼ ▼ ▼ ▼
DE LAZUREN OORBEL ONDER DE RODEN
OF HULDE AAN RIK WOUTERS
Het gewiegelwater aan de Derde Kostverlorenkade in Amsterdam is
onverzadelijk. Ik woon drie trappen hoog, draag de zwarte ooglap.
De straat een perron langs het kanaal. Passanten passeren elkaar dor.
Hol avontuur: meeuwen brengen wat zeezilver in. Hun broodkorstgekrijs.
Van uren her de onschilderbare schreeuw van de visman van elke week.
Staande voor het geknibbel van wijfjes om de viskar mijn allerenigste.
In het blauwe matrozenhemd, mijn bovenkaak weg, werk ik aan De Schelvis
zolang het licht strekt. Aan de Kostverlorenkade vervalt het licht snel.
▲ ▲ ▲ ▲ ▲
NB: Door de website is de lay-out van sommige gedichten hier anders dan in de bundel.

