gedichten uit ► Bres
Vlees in uniform is volautomatisch
12
Wij gaan de markt op waar mijn ouders wonen
En versnellen onze pas onder de hoge bogen
Van neergemaaide arcaden.
Gewapende spoken zijn ons voor geweest.
De kiosk ligt als een prop muziekpapier geslingerd
Tegen het kerkportaal.
Het plein is leeg.
Wij planten in zijn hart een struik geweren
En leggen onze messen in een roos
Van woede op de steen.
Een man aait stom de snee en zoekt
Zijn duimafdruk,
Zijn bloed.
Wrok lekt van het heft.
Haat likt zijn schoen.
Wij gaan de markt af waar mijn ouders woonden.
▼ ▼ ▼ ▼ ▼
Wij weten om te beginnen van geen begin
Geen enkele vrucht heeft haar bloesem gezien.
Pascal Quignard
7
Niemand herkent in ons huis mijn gezicht
Van de vorige eeuw.
Niemand maakt mijn naam voorzichtig wakker
Uit schrik voor zijn naam.
Niemand wikkelt dat blootgewoelde wezen
Uit mijn honger,
Mijn luier,
Mijn kak.
Wij kijken naar mij in mijn schommelende wieg
En wij laten mij slapen.
Wij laten mij slapen uit schrik
Om wakker te schrikken.
Wij kijken naar ons.
Wij kijken ons aan.
Wij kijken naar mij allemaal.
Wij kijken mij allemaal aan.
Wij kijken naar mij allemaal uit schrik
Voor schrik.
▼ ▼ ▼ ▼ ▼
Hoe ziet mijn stad eruit als ik haar droom?
2
Je centrum en ik zijn de hort op,
Geen hart achterhaalt ons adressenbestand in een wolk
Van computers, wij komen van ver,
Antwerpen.
De koddige klank van je naam overspoelde mijn bed
Op het Vrijthof in Bree met een zee
Van flamingo’s en schepen, ik liep in mijn slaap
Langs je kaaien en leien, ik rolde je havenbordelen
En silo’s, je kranen en pakhuizen op
In een jongenstong, ik had honger.
Als mensen met honger, als vormen
Van eetlust kwam ik naar je toe.
En honger is het hachelijkste vlees
In alle kunst, het zakenleven en de politiek.
Mijn honger was een hikkend onderwerp
In de maag van je schatkist, al mijn poëzie
Was jouw economie.
Dus als mens met honger kwam ik
Naar je toe, adieu tam wildgebraad
Van de provinciale bourgeoisie.
Dat blanke tafelkleed van plekken spekvet, puur
Damast en vlekken bourgogne plakt
Aan deze vingers en ontvouwt zich traag
Tussen twee strofen door.
En heimwee stinkt als patrijzen al jaren
Gekeeld en schoon aan de haak
In de kelder ginder, bloed lekt
In een Keulse pot en blinkt
En blikt me tegen.
Honger is nu achtenvijftig.
Honger is het hachelijkste vlees.
▼ ▼ ▼ ▼ ▼
Het is een prachtig boek
10
Het is een prachtig boek
Het bloedt uit een wond onomwonden,
Het sprong als een traan uit de ooghoek
Van blinden, van ver, van een ster.
Het is een prachtig boek
In de luwte gelegen, het schuwde
Zijn zegen te geven aan mij.
Het gruwde te spreken van ons.
Het is een prachtig boek
Dat ik pen, dat ik ben, dat ik nooit
Zal kennen. Geen doek dat hier valt.
Geen mens die dat boek ooit kan schrijven.
▲ ▲ ▲ ▲ ▲

