
Winnaar 2009
Het leven van
Nachoem M. Wijnberg (1961) is een Nederlands dichter en schrijver. Wijnberg studeerde Rechten en Economie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1990 promoveerde hij aan de Rotterdam School of Management. Sinds 2005 is hij verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.
Hij debuteerde als dichter in 1989 met de bundel De simulatie van de schepping in poëziereeks De Windroos. Sindsdien volgden vele andere dichtbundels en romans. In 1997 ontving hij de Herman Gorterprijs voor Geschenken en in 2004 de Paul Snoek Poëzieprijs voor Vogels. Ook ontving hij in dat jaar de Jan Campertprijs voor Eerst dit, dan dat. In 2005 werd deze bundel genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2008 ontving hij de Ida Gerhardt Poëzieprijs voor Liedjes. Dit jaar is zijn meest recente bundel Het leven van genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2009.
De jury over Het leven van
'Volkomen helder zijn de gedichten in de bundel Het leven van, zoveel is zeker. Toch dienen zich in het werk van Nachoem M. Wijnberg nooit kant-en-klare verhalen aan, daarvoor staat er te veel op het spel. In de afzonderlijke gedichten van Het leven van, wordt gezocht naar de juiste houding, de juiste verhouding, ook die tussen de regels onderling. Neem het angstaanjagende gedicht ‘De Christen komt op bezoek’, waarin een schijnheilige bemiddelaar met alle mogelijke talige middelen het juiste geloof probeert te verkopen. Wijnberg laat de lezer de beklemming van kwade trouw in zijn klare regels ervaren. Maar ook de wanhoop die we voelen als we voorbij geloof, hoop en liefde peilen, en vervolgens uitkomen bij de bodem van het verdriet: ‘Als iemand dood is blijft er niets van hem over, behalve van mijn / vader die in zijn eentje rondloopt waar hij is.’ Nachoem M. Wijnberg verkwist in zijn oeuvre geen tijd met bijzaken, en op zoek naar de hoofdzaak blijft hij altijd weer stilstaan bij wat zijn aandacht trekt: toneel, Socrates, uitzonderingen op de regel, het zonlicht en zijn dromen. Elke tekst opnieuw schept de dichter Wijnberg een onovertroffen illusie van overzicht.'
Enkele gedichten uit de bundel Het leven van
Waar een tuin voor is, om op een leven te drinken
De tuin van jouw tante is groter dan de hoed van mijn oom, dat is
een zin uit een boek om talen te leren, drie of vier tegelijk.
De kinderen moeten de boeken en papieren helpen dragen, want
hoe komen ze anders van school naar huis en weer terug?
Zo komt het dat de kinderen de weg van school naar huis beter
kennen dan je tante die hen lesgeeft, midden in de zomervakantie
staan zij voor de deur en bellen aan.
Wat in een tuin kan, een loopt van een ander weg en de ander blijft
kijken tot die niet meer te zien is.
Waar de maan voor is, om op de maan te staan in het licht van de
aarde.
Daar komt jouw tante en naast haar loopt mijn oom die ik nooit
gezien heb en die op geen foto een hoed op zijn hoofd had.
Mijn oom wilde op het land gaan werken, als een boer, en ging op
zoek naar een plaats waar hij dat kon leren, jouw tante wilde een
feest in haar tuin geven als het lente was geworden.
Doe een wens
Wil je iets voor mij doen?
Honderd nachten achter elkaar naast mij slapen.
Daarna doe ik voor jou wat jij wilt.
Als je op de honderdste dag hoort dat je niemand anders meer
hebt hoef je die nacht niet te komen.
Als je ooit nog een keer bij mij op bezoek zal komen doe het
dan vannacht.
Waarom ik vraag
Iemand die in dezelfde straat woonde had kamers vol boeken,
maar ik mocht er niet één van hem lenen.
Het lukte mij bijna niet naar huis terug te lopen omdat ik aan de
boeken dacht.
De man was boekverkoper, hoe kon ik dat vergeten hebben.
Die nacht droomde ik dat ik al zijn boeken naar huis meegenomen
had en dat ik ze een voor een las terwijl ik in bed lag.
Mijn ouders dachten dat als ik zo graag wilde lezen ik alles kon
worden wat ik wilde.
Zij verkochten wat zij niet nodig hadden om een boek voor mij te
kopen.
Ik leerde snel uit mijn hoofd wat erin stond, dan konden zij het
boek verkopen en een ander voor mij kopen.
Ik denk daaraan als ik zo veel boeken heb dat ik om meer tijd
vraag om ze allemaal te lezen, en de boeken die ik als kind las
nog een keer te lezen.
Wat ik had willen worden toen ik een kind was, ik durf het niet te
zeggen, ik dacht dat schrijven het kleinste deel zou zijn.
Ik dacht dat ik elk probleem dat niet opgelost was mocht proberen
voordat het aan een ander doorgegeven zou worden.
Hoe ik geleerd heb om te gaan met dat ik nog iets beters wil – geef
het mij als een probleem dat iemand anders niet kan oplossen.
Nu vraag ik niet om meer dan om alle boeken te kunnen lezen
die geschreven worden.
Ik probeer tegen u te spreken alsof ik dit voor het
eerst zeg en het bedenk als ik u zie
Ik hoop dat u het niet erg vindt dat ik zo tegen u praat, als u zou
hebben geweten hoe ik mij voelde voordat ik begon was u meteen
weggelopen.
O, u wilt iets voor niets hebben, mijn verontschuldigingen, ik had
dat nog niet begrepen.
Wat herinnert wil worden zoals het voorbijging, een seizoen neemt
afscheid, dat is het seizoen dat iets uitgesteld wordt tot het einde
van het seizoen.
Toen ik een kind was speelde ik met treinen en voordat ik ging
slapen nam ik de mooiste locomotief in mijn hand om er nog een
keer goed naar te kijken.
Later werd ik machinist, elke dag de trein en de landschappen kreeg
ik erbij: zonsondergangen, zonsopgangen, nachten vol sneeuw
Mijn vader zegt dat het verstandig is om iets te
doen waarin het niet erg is om middelmatig te zijn,
zoals waarin ik professor ben
Hij besluit zich aan de wet te houden, als iemand die de wet niet
kent maar verwacht dat zijn kinderen die zullen kennen en daarom
doet wat hij kan om zijn kinderen niet te beschamen.
Mijn vader zegt dat hij speciaal voor mij een middelmatig man
geworden is, zodat niemand zou denken dat ik nooit zo goed als
mijn vader kon zijn.
Toch zou hij graag willen dat iemand zich hem herinnert als hij er
niet meer is, niet elke dag maar af en toe, zonder het van plan
geweest te zijn.
Als wat na iemands dood blijft iemands deel van de waarheid is,
wat gebeurt er dan met mijn deel van de onwaarheid?
Als iemand dood is blijft er niets van hem over, behalve van mijn
vader die in zijn eentje rondloopt waar hij is.
