
Winnaar 2006
De encyclopedie van de grote woorden
MARK BOOG (1970) is geboren op die zonnige 24ste september in dat fraaie jaar 1970 te Utrecht. Hij studeerde korte tijd Kunstmatige Intelligentie en werkte daarna even bij de PTT. In 1995 debuteerde hij als dichter in het tijdschrift De Appel. Daarna was hij actief in een schrijverscollectief dat onder meer het tijdschrift Mondzeer en de Reuzenkreeft uitgaf. Hij publiceerde ook in 'De Gids' en 'Hollands Maandblad’ Zijn eerste dichtbundel Alsof er iets gebeurt (Meulenhoff, Amsterdam) verscheen op 8 oktober 2000. Deze bundel werd in 2001 genomineerd voor de C. Buddingh-prijs die Mark Boog ook in ontvangst mocht nemen tijdens Poetry International datzelfde jaar. Met De Vuistslag (Meulenhoff, 2001) debuteerde hij als romanschrijver. Tot nu toe heeft de productieve Mark Boog drie romans geschreven en staan er vijf dichtbundels op zijn nam. Er zijn prachtige flashanimaties van zijn gedichten gemaakt door grafisch ontwerper John van der Wens.
Uit het juryrapport:
In De encyclopedie van de grote woorden (Cossee) combineert Mark Boog de strakke vorm van het naslagwerk met een dichterlijke greep in misschien wel het moeilijkste materiaal voor de poëzie: de menselijke onstoffelijkheden. Vierenzestig gedichten over elementaire zaken als Troost, Inspiratie, God, Verdriet, die met een heldere blik maar ook met trefzekere ironie worden beschreven. Zonder al te veel illusies maar met oog voor het nut en de schoonheid van onze onvolmaaktheden, zet hij ze in hun naaktheid neer. Zo krijgen onze kernbegrippen een onvoorziene lading. Geluk bijvoorbeeld hangt als een ‘vochtige doek’ ‘slap in onze handen’, terwijl Wanhoop een ‘vrolijk onbekommerde gestalte’ heeft.
Of het nu om de tragische of om de onnozele kanten van de mens gaat, Boog kijkt er met dezelfde onbevooroordeelde en intense blik naar. Wat dat aangaat doet zijn houding een beetje denken aan die van de grote wijsgeer Montaigne. Maar tegelijkertijd is hij erin geslaagd van al die grote, zo vaak misbruikte woorden en begrippen, prachtige poëzie te maken, vol frisse formuleringen en onverwachte wendingen.
De encyclopedie van de grote woorden biedt klassieke en transparante gedichten die de onpeilbaarheid van de mens in kaart brengen, maar waarin tegelijkertijd onmiskenbaar het temperament van de dichter doorschemert, als de onzichtbare hoofdpersoon in een veelkleurig avontuur van affecten en emoties.
POËZIE
Op het slagveld van de poëzie, taal der drift,
verdringen we ons om vooraan te staan.
We laten ons veilig raken.
In de slagorde van het toeval is het woord
onkwetsbaar, warm en zeker, hol.
Het woekert, wapentuig in harde handen,
het gedijt in schoonheid zelfs, in leegte, niets.
Als een waterballon nadert het
de hooivork van de onverschilligheid.
Gezien? Raaskal vrolijk verder, maar sluit de deur.
Een spiegel, blad- of lach-, is gezelschap genoeg,
het eigen oor voldoende onbetrouwbaar.
MELANCHOLIE
Hem, zuurmuil, druipt de gal uit de bek.
Te groot is zijn gelijk
om steeds maar uit te spreken,
maar te zwijgen – wat zijn gelijk zou onderstrepen –
is hem onmogelijk, zoals hij nooit zijn ogen sluit
en altijd eet en drinkt, als smaakte het,
als was levensverlenging wenselijk.
De bloedrode ondergang in de uitgestrekte,
kalme zee, die zich heeft neergelegd: een nieuw bewijs.
VERDRIET
Het verdriet, juweel, wordt in de binnenzak gedragen,
gevat in goud, in watten gelegd, een donker doosje.
Slechts op hoogtijdagen wordt het opgespeld
en genegeerd. Achteloos ontkent men zijn verdriet,
dat glimt als was het net gepoetst. Toch,
desgevraagd, geeft men toe dat het kleinood –
dat in de plechtige parade amper opvalt –
essentieel is. Wie leeft zonder verleden? Wie smelt niet
bij het zien van zijn kleerscheuren? Jawel, beamen wij,
het verdriet verleent ons diepgang, dooradert ons vlees,
maakt ons en zal ons breken. Vraag niet of we willen ruilen.
WAANZIN
Waanzin is een huis.
Trap de open deuren in en woon.
Waanzin is een mantel,
los maar warm om schokkende schouders,
verleent zwier aan ons voortdurend draaien.
Elke rechte weg loopt dood, elk slingerpad
verwart en raakt ons kwijt. We volgen elkaar blind.
De tuin van de waanzin, zorgvuldig gecultiveerd,
het subtiele onderscheid tussen kruid en onkruid,
vergeet-mij-niet en monnikskap. O zevenblad!
De weg van de waanzin ligt altijd open.
Gerustgesteld hernemen wij ons dwalen.
ZIEL
Onwerkelijker dan de geest en vreemder
dan het hart vertrouwt de ziel geen mens,
geen lichaam dat zich voortsleept
over paden die gebaand zijn, geplaveid –
de ziel meesmuilt, een bitter lachje,
noemt het lichaam fles. ‘Trek mij van
het lichaam af,’ zegt de ziel. ‘Reken.
Ligt de uitkomst boven nul, dan is dit
een scheve wereld, een verkeerd bestaan,
een kooi. Verlos me, grijp de fles bij de hals,
sla stuk op de rand van de bar en hef haar
dreigend op. Elke wens vervliegt, zoveel
beloof ik, en het moet geluk zijn dat verschijnt.’
