
Winnaar 2004
Varkensroze ansichten
Mustafa Stitou (1974) debuteerde in 1994 met de bejubelde dichtbundel Mijn vormen. In 1998 verscheen een tweede bundel, Mijn gedichten. Stitou verwierf faam als performer op festivals in het hele land, en nam deel aan uiteenlopende projecten; het Scapino Ballet Rotterdam voerde een choreografie uit van Nanine Linning, op basis van enkele van Stitou’s gedichten, en voor de Filmmuseum Biënnale 2003 schreef hij teksten bij zwijgende filmbeelden. ‘Stitou mokt niet over de zinloosheid van de kosmos maar geniet volop in zijn poëzie; van de taal, van zijn formuleringen, van zichzelf, van de wereld om hem heen en van zijn eigen plezier’.
Uit het juryrapport:
Varkensroze ansichten (De Bezige Bij) – Mustafa Stitou
In de rijke en overvloedig gevulde bundel Varkensroze ansichten speelt Mustafa Stitou een geëngageerd spel met het thema van de identiteit.
Stitou is op zoek naar wortels: die van hemzelf (hij dicht over ‘Voorvaderen’ en ‘Moedertaal’), maar ook die van de cultuur waarvan hij deel uitmaakt. Dat is in deze bundel nadrukkelijk de westerse cultuur. In zijn ‘Avondlandse anekdoten’ verwijst hij veelvuldig naar de joodse en christelijke tradities en hij toont zich gefascineerd door de westerse zendingsdrang van kolonialisme en missie. ‘Varkensroze ansichten’ is een complex en duizelingwekkend pandemonium van ideeën en beelden uit de koloniale en postkoloniale geschiedenis waarmee Stitou zich probeert te verstaan.
De bundel verdient grote bewondering om de indrukwekkende poging die erin ondernomen wordt de vinger te leggen op de essentie van ‘onze’ cultuur. Misschien is er wel iemand voor nodig die, als cultural traveller, voor die cultuur gekozen heeft om ons eraan te herinneren dat zo’n cultuur geen gegeven is, maar iets dat steeds opnieuw wordt gedefinieerd, kritisch en met terugwerkende kracht.
Naast de ontegenzeglijke ernst van deze thematiek vallen in deze bundel ook de ontroerende liefdesgedichten op, de humor en het vleugje absurdisme dat Stitou vaardig door de regels vlecht.
Gedichten uit de bundel:
SUMMUM BONUM
Dronken pubers leggen ’s nachts
in een uithoek van het universum
een nagebootst prehistorisch dorpje in de as.
Tropische temperaturen. De meubelboulevard,
uitgestorven. Wie naar de kust is gevlucht
noch naar een themapark, legt overdag
in zijn achtertuin zijn wapens af
en gaat liggen, languit en onbevreesd.
De kille huistiran in zwembroek ontdooit,
slaat de tweeling gade, niet langer geërgerd,
verbijsterd door hun gelijkenis, ontspant
diepzuchtend zijn droomspier, sluit verstrooid
zijn ogen. De linkertweeling, de rechtertweeling,
naakt naar insecten in struiken op jacht, verbeten
kreetjes van verbazing, onverstoorbaar.
Andere tuinen brengen een soevereine schaterlach,
kleuterpop, hondengeblaf, een radiostem die zegt
‘dat de verdachte heeft gezegd
*
dat hij zijn vader met een kruisboog een ballpoint
in het oog heeft geschoten’. Goedlachs komt moeder
in bikini uit de keuken, haar zenuwen zonder hulp
de baas vandaag, een roerloos dienblad met twee glazen ijsthee
en twee groene limonade op één vlakke hand. Zich verheugend
op de herinneringen alvast, schrikt ze haar wederhelft
met de zachtste mondkus wakker- en vader vuilbekt niet
ditmaal maar richt zich glunderend uit zijn ligstoel op,
fluistert ‘moet je eens horen’ in moeders oor,
verdwijnt de wijd openstaande vesting in.
Laat het lot maar jojoën, wisselvalligheden komen en gaan,
vandaag zijn zij nergens bang voor, de thuisblijvers,
vredestichters, blijmoedige karikaturen – hoor,
uit de hobbykamer van de huistiran klinkt
het geluid op van een kabbelend beekje.
NIET SAMEN SCHEIDEN WE LICHT EN DONKER
*
je vertelt een man mijn vingertoppen zacht
tegen je slapen ik spreid mijn hand uit al is het
nergens voor nodig omvat je schedel een man
voor de dood op de vlucht vergeefs verborg
zich in de maag van een dood paard in de
veronderstelling de dood is hier reeds geweest
*
dit is geen zang ik ben je secretaris
vertaal feiten waak over je belangen
zeg de zin van gezichtloosheid is gelijkheid
een nummer ben je in een systeem als iedereen
niemand mag heilig zijn niemand
daarom hebben we het hier goed
*
er is geen ontkomen
aan de dood zelfs niet
in de maag van een dood paard
*
je hart weer gefilmd je bloed geïnspecteerd
darmen gefotografeerd je pijnen een raadsel
maar we zijn een team samen drijven we artsen
tot wanhoop
voor honger en vernedering gevlucht
op spierkracht geselecteerd en op gebit
maar voor ouderdom geen talent
gelijk je generatiegenoten en geen
geschiedschrijver die naar jullie geschiedenissen
taalt uitstervend anoniem zootje
analfabete avonturiers
*
flakkert je toorn op schieten je kleinkinderen in de lach
*
gewillige slavenarbeiders stapelden
stenen op hielden ovens brandend
veegden de balzalen schoon
*
en geen ontkomen aan de dood
zelfs niet in de maag van een dood paard
*
heiligen vrouwen dochteren maar snoeren ze de mond
worstelen niet met de god maar knielen uit gewoonte
wedden heimelijk op rijkdom gelijk de koopmannen
tegen wie jullie profeet profeteerde jullie baarden
hordes ontheemde hedonisten vergeef me ik ben maar
je kapper omvat met mijn hand je schedel je asgrijs haar
ik ben je secretaris zeg dit als je secretaris het is niets
*
er zijn mannen
mannen van vuur zij brengen
zonen voort van vuur en er zijn mannen
al wat zij voortbrengen is as
ik heb een zoon voortgebracht van as
en ik schamperde binnensmonds
je god vergat een deugd
het hebben van een hobby
*
je vader de vreeswekkende
toen je kind was stierf hij
en je moeder toen je kind was stierf zij
en je broers
kinderen van een andere moeder
ze haatten je ze zijn niet meer in leven
op een gek na staat de ganse dag in de zon te stoven
een spade over zijn schouder
wat is dat voor god die je niet gebiedt
je wonden onder woorden te brengen
de ander te zien
*
de gulzigheid waarmee jij spaart
de maniakale zuinigheid drie
pantalons een paar schoenen per decennium
wat vrees je bezweer je vertel me zie mij toch
*
ik ben je secretaris vergeef me ik zeg dit als je secretaris
we zijn een team ik knip je haar verzorg je voeten
samen drijven we artsen tot wanhoop je schedel
in mijn hand je asgrijs haar ik zeg dit
als je secretaris het is niets
*
de wijze waarop jij op foto’s staat
waarom jank ik als ik je zo zie
ongenaakbaar
verstard
*
en geen ontkomen aan de dood zelfs niet
in de maag van een dood paard maar
wat is dat voor god
die je geen hobby gunt
*
de kilte waarop ze bij mij stuit mijn huidige geliefde
de pit van leegte waaromheen ik praat en praat
wijt ze aan jouw afwezigheid de leegte het is
dat je het weet ik zeg het maar even
zeg dit als je secretaris
*
we zijn een team drijven
artsen tot wanhoop een team
maar in mijn helledromen
wend jij je van me af
je wendt je van mij af
*
niet samen
scheiden we licht
en donker
niet samen
licht en donker
*
en vergeef me want ik ben onschuldig
en ik vergeef je want je bent onschuldig
ik zeg het maar even het is niets
*
je wendt je van mij af
in mijn helledromen
we zijn een team maar
niet samen scheiden wij
licht en donker
niet samen licht
en donker
*
een man wilde het land der sterfelijken ontvluchten
verborg zich in de maag van een dood paard
dacht de dood is hier reeds geweest deze man
dit fabeltje amuseert je
je zegt ik keer terug want daar is het praktischer sterven
en begraven worden en ook ik ben geen liefhebber van
klaagzangen ik ben je kapper je secretaris verzorger van je voeten
