
Winnaar 2002
Verschiet
Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948) is een Nederlands dichter, prozaïst en vertaler.
Van 1967 tot 1972 volgde ze de opleiding Literair vertaler aan de Universiteit van Amsterdam. Ze maakte daarna naam als vertaalster van onder anderen Oscar Wilde, Jules Verne en Sylvia Plath. In 1978 werd haar voor de vertaling van Vladimir Nabokovs The Gift de Martinus Nijhoff-prijs toegekend. Ze weigerde die in ontvangst te nemen. Ze vond dat, door de boycot van een groot aantal vertalers, de jury slechts kon kiezen uit een kleine groep kandidaten.
In november 2008 ontving zij de Constantijn Huygensprijs voor haar hele oeuvre, volgens de jury ‘een uniek universum van taal, waarin ze voortdurend zoekt naar een balans tussen de wereld van woorden en de echte, die van gras, vlees, botten, liefde. Razend knap, geestig, ontroerend, soms ergerniswekkend, nooit gemakkelijk.’
Al in 1974 publiceerde Brassinga proza en poëzie in De Revisor onder het pseudoniem A. Tuinman. Haar eerste niet-bibliofiele dichtbundel verscheen in 1987. In 1993 kwam haar eerste prozabundel op de markt.
Gedichten uit de bundel Verschiet
MERELLOOS
ROEPING
Fluit er een merel, dan voel ik geluk.
Fluit er een merel ten hemel schreiend mooi
in China terwijl niet in China ben;
heeft naar verluidt men hier ter stede merels
ook gehoord in het blauwe schemeruur
van 3 Februari 1603; zal, naar verwacht mag
over zes weken, in mijn tuin hun lied weer
klinken; stel dat ik al op weg zal zijn
gegaan, naar China, of het onbekende
voorbij de grens van mijn bestaan – hoe nu hier
leven zonder geluk? Op eigen kracht te horen
wat de merel zo vaak zong, het moet
volstaan. De oren toegestopt, in stilte,
denk ik dag in dag uit mij in dat ik
die ene ben en steeds een ander,
die urenlang of even maar en waar ook maar
door eeuwen heen geluk heeft en de merel hoort.
dan vangt in mij misschien het zingen aan.
HEDEN
Nu, nu je leeft en zegt, mij is de door steeds minder
ongelijk aan leven, nu in gesprek wij zijn
en in het heden – niet is te zeggen hoe zonder meer;
begoocheling door niemand te weerspreken –
nu weet ik hoe ik niet zal weten hoe
een heden te doorstaan dat een schimmenrijk zal zijn,
bruut en reëel, omdat ik dan terug moet roepen
jou, en hoe je zei, mij is de dood steeds meer
gaan leven; omdat ik niet vermogen zal waartoe ik ben
gedoemd – je dood in leven te doen zijn.
VERSCHIET TE ROME
Ruïnes? Ik weet ze in mijn leven al.
Een weids terrein vol brokken, zelf gemaakt,
uit eigen grond gestampt. Maar avondgloed
te Rome, zachtvurige zonsravage regenboogbekroond
laat door geen glorieus verwoest bestaan
zich evenaren. Ik aanzie die wondere
ondergang, besef hoe mijne evenmin fataal
en keer op keer als voor het eerst zal zijn.
WAAKHOND VAN HET HART
Hier is de deur, die dicht is.
Ik loop er wel eens dwars doorheen.
Sluit zich
als een oude wond. Bloedsplinters
in de gang, roestbruin
het rafelig bespat behang.
Geen hond te zien.
Ik ben immers binnen. Hier
is de deur.
Mocht je
daarachter horen het minste gerucht,
vlucht voor mij dan.
HOE TE ZOENEN OP STRAATHOEKEN
Laat op de avond laat het zijn of vroeg
in nanacht, licht liefst ver –
al leent ook paarlemoeren dageraad
aan dit publieke werk subliem cachet.
Het zij een zwijgen van koralen
vergaan van dorst in lafenis –
van wakend ontslapen bevinding wellicht
doe dus vooral de ogen dicht.
Men neme niet de tijd
die schenkt zich wijd en wijd –
in deze zachte voorportalen
heerst onafzienbaar innigheid.
Men neme afscheid evenmin
al is de hoek er om uiteen te gaan –
de weg is geen verwijdering.
men neme alles mee, alleen.
