
Winnaar 2001
Mythologieën
Cornelis Johannes "Kees" Ouwens (Zeist, 27 juni 1944 – Heemstede, 24 augustus 2004) was een Nederlands dichter en schrijver van romans. Kees Ouwens debuteerde in 1968 met "Arcadia". Ouwens schreef ook proza, maar verwierf vooral een plaats in de Nederlandse literatuur als experimenteel dichter. Kees Ouwens beschouwde het schrijven als een zoektocht. Zijn fascinatie met het taalspel verleidde hem er soms toe de begrijpelijkheid of het grammaticaal voor de hand liggende te veronachtzamen met het doel de exactheid van uitdrukking in de zorgvuldig opgebouwde talige realiteit. Hierdoor wordt hij wel eens als 'hermetisch' dichter bestempeld, terwijl anderen zijn oeuvre juist daardoor, samen met dat van andere grote naoorlogse dichters als Jacques Hamelink en Hans Faverey, als verrijkend voor het Nederlandstalige dichtersidioom ervaren.
In 2002 verschenen zijn gedichten in de verzamelbundel "Alle gedichten tot dusver". Een jaar later bundelde uitgever Meulenhoff zijn verhalend proza in "Alle romans tot dusver". In 2005 verscheen bij Meulenhoff postuum, maar nog geheel door hemzelf geredigeerde gedichtenbundel "Ben jij het, ik?". In 1976 ontving Ouwens de Van der Hoogprijs. Hij werd in 2002 onderscheiden voor zijn gehele oeuvre met de Constantijn Huygensprijs. Kees Ouwens overleed in augustus 2004 op 60-jarige leeftijd na een langdurig ziekbed in Heemstede.
Gedichten uit de bundel: Mythologieën
XXII
Kom tussen mijn gezicht en het mij eigen gezicht, ik
die mijn gezicht open.
zo dachten wij, ogen,
dat wij het zagen – indruk en uitdruk zijn één?
we gaan toch niet kijken of we dwalen of kennen, ondeelbaar
ogenblik?
daar is geen ondeelbaar ogenblik tussen te krijgen, de
rankengrassen de melkwijnen of jij ziet mij of
ik weet jou,
luister, luister, toonbeeld, of dit schendt zo
dat de geestverheldering, stralende, ja stralend als wimpers,
de ogen mij uitkomt
XXIX
aan de oever van het ik rust het zelf.
zo zegt dit wat wij ons ontzegd hebben.
hier rust mijn onmacht, daar mijn almacht.
gij hebt het hert terecht op zijn hart gewezen:
hoe te begeren dat wij verlangen te wensen, wellen.
dat water gestuwd uit de ondergronden.
de keel in de bodem, kwel, vliedend in murmelingen.
een hemel eerst van kristallen
van vochten geboren al vallend
van spatten gesijpeld, bron, door de hoge zanden
