Nieuws

Deventer dichttalenten door naar landelijke finale

31-01-2012

Lees meer

Winaars VERS PoëzieRevue Oss bekend

30-01-2012

Lees meer

Jan Lauwereyns wint VSB Poëzieprijs 2012

26-01-2012

Lees meer

Winnaars VERS PoëzieRevue Gouda

26-01-2012

Lees meer

Friese dichttalenten door naar landelijke finale

25-01-2012

Lees meer

VERS PoëzieRevue`s in Sneek, Gouda, Oss en Deventer

24-01-2012

Lees meer

Winnaars VERS PoëzieRevue Amsterdam bekend

05-12-2011

Lees meer

« Nieuwer  |  Ouder »
Nieuws archief:
2010 | 2009 | 2008 | 2007
VERS / schoolderpoëzie
Postbus 11755
1001 CT Amsterdam
tel: 020 3307817
fax: 020 4279593
mail:

Esther Jansma

 

 

Winnaar 1999

Hier is de tijd

Esther Jansma (24-12-1958) is archeologe en dichteres. Het taal maken van beelden, wat ze als dichteres doet, noemt ze ook een vorm van archeologie. Vanaf 1984 verschenen er gedichten van Jansma in de literaire tijdschriften Maatstaf, De Tweede ronde en Bzzlletin. Haar eerste gedichtenbundel, 'Stem onder mijn bed', verscheen in 1988. Uit de recensies sprak waardering voor haar debuut, dat onder andere werd getypeerd als veelzijdig en verrassend door de wijze waarop er over herkenbare zaken werd geschreven. Voor haar bundel 'Picknick op de wenteltrap' kreeg Esther Jansma de Halewijnprijs 1999 en voor haar bundel 'Hier is de tijd' ontving zij de VSB Poëzieprijs 1999. In juni 2001 won Jansma de Belgische Hugues C. Pernathprijs voor haar bundel 'Dakruiters'.
 

 

Gedichten uit de bundel Hier is de tijd (Arbeiderspers)
 

 

De geliefden

Hij lag op de rotsen aangespoeld
en droomde dat haar stem hem riep, zand
dat over hem werd uitgestrooid en verwaaide.

De zee legde zich neer aan zijn borst.
Zijn hart was de broedplaats van kleurige
vogels. De wind keerde terug.

Een voor een stegen de vogels op,
ze schreeuwden en vielen omhoog, hulpeloos
werden ze opzij gesmeten.

Zijn hart was een wond, een verlaten kamer
toen ze hem vond, het verschil tussen hem
en de grond was liefde, meer niet.

Ze tilde hem op. Zacht probeerde ze
zijn mond te sluiten. In het schip
probeerde ze zijn mond te sluiten.

Ze zweeg en duwde zijn lippen op elkaar.
Ze zweeg en legde zijn armen om haar hals
Het lukte. Zijn hoofd ligt op haar schouder.

Hij zwijgt. Ze varen. Ze zijn alles voor elkaar.



Dit hier

Je loopt op het strand: de zee, de einder,
het geluid dat de kom van de wereld
tot de rand vult – nee, kleiner.

Je zet je schoenen in het zand: koeiehuid,
geërodeerde bergen, het een laat
een afdruk na in het ander – nee, anders.

Je bent ergens anders, het doet er niet toe
waar, altijd aan een rand, dit keer tussen
land en water, het gaat over nu – nee

je ligt op je buik. Zand zingt zich voort
zoals water, geribd. Je kiest de kleinste rib.
Berg. Je kiest de kleinste korrel. Aarde.



-
Mevrouw de buurvrouw, engel
driehoog met je vensterbankborsten,
ik wil snoepjes die op me regenen
en na dagen inde tuin de laatste

vinden, omhoog kijken en dat zich dan
een glimlach als een lijntje spant
waaraan ik mij te drogen hang
als sokken. Ik wil strijken

begrijpen, hoe jij vouwen weghaalt,
geheimen sust, gewoon zegt: hier
heb je iets schoons om aan te trekken.
Ik wil aan je haren ruiken, blond

als aardappelen die iemand
opschept met een schort voor.
En dat ik dan jouw baby was
en dat jij dan mijn borsten was.


-
Zie je die lichtjes, zei a tegen b.
Het is de grote stad. Alles bestaat daar.
Ik kan daar wonen als ik wil.
Ja, zei b. Ja. Ik ook ook, a

Jij niet, zei a. Ik heb jou leeg gelepeld
als een ei, b, je bent wat overbleef,
wat ik niet wil, mandril, b, je bent
Mijn kiespijn en de rimpels in mijn billen –

a, je houdt niet meer van mij, zei b,
en b, dat heb je nooit gedaan en c –
haal c erbij, zei a, die vindt precies
hetzelfde als ik. Pakweg: barst, jij!



-
De stad bleef een geheim in de verte.
Er was een rivier natuurlijk, in het donker
dreven schepen onhoorbaar voorbij
met in het ruim hun onherkenbare lading

en zij droegen de gedachte aan elkaar
in het lichaam als ziekte, iets dat je
niet uitspreekt omdat je het aanroept
met de naam die het heeft. Er was

een weg, er was gras, het laatste licht.
Het bewustzijn riep de verschillen uit.
Ze keken elkaar in het identieke gezicht
en dachten: ik ben ik, ben ik ik.



De val
 
We kruisten de Styx.
De veerman lag dronken in zijn schip.
Ik hield het roer en we zonken als stenen.
Water bestaat als de aarde
in lagen, transparante linten, glanzende strata
van steeds kleiner leven, minder warmte.
In je haren bloeiden luchtbellen,
de stroom trok je hoofd naar achter
en streelde je hals.
Stenen wuifden met armen van algen en varens,
zongen zachtjes gorgelend "vrede".
Ze sneden je kleren los.
Vissen likten het bloed van je benen.
Ik hield je hand vast. Ik wilde je troosten
maar we vielen te snel en er zijn geen woorden
die zonder lucht bestaan, mijn liefde
bleef boven, blauwe ballonnen, bakens voor even,
de plaats markerend van het ongeluk
voordat ze verder dreven. Je mond ging open.
Je gezicht werd rood, je handen zochten
evenwicht, zochten mijn armen.
Je probeerde in me omhoog te klimmen.
Je was een glasblazer met een wolk van diamanten
aan zijn mond. Ik hield je vast als een katje.
Ik aaide je vingers.
Je liet niet los.
Je sliep en ik aaide je vingers, liet los.

 
Archeologie

Als we ons dan toch moeten kleden,
tegen kou bijvoorbeeld, of in naam van iets,
in resten van dit of dat verleden,
verhalen en geheugensteuntjes die niets
vertellen dan dat we er al waren
in de tijd die bestond voor dit heden -
als wij onszelf alleen in het nu kunnen bewaren
door onszelf voortdurend uit te vinden in het nu
dan liefst eenvoudig, aan de hand van kleding.
Je zit aan tafel. Opeens zie je hoe iemand
ijs overstak, hoe hem de kou beving
of een ander einde en je zegt: kijk,
hier heb je zijn schoenen, leren mantel, wanten.
'Waar is de tijd? Hier is de tijd.'

 

random