Rutger Kopland

Winnaar 1998
Tot het ons loslaat
Rutger Kopland
Gedichten uit de bundel:
DE LAATSTE BEVINDINGEN
Er waren zoals we dachten te weten twee werelden –
de echte en de andere
dit onderscheid is onlangs bij nader onderzoek
een overbodige illusie gebleken: deskundigen
hebben in menselijke hersenen gezocht
en geen verschillen gehoord of gezien
integendeel, wat zij vonden was met geen pen
te beschrijven, zo ongelooflijk eenvoudig
zo mooi
zij noteerden:
‘De nacht viel in de ramen van ons instituut,
maanlicht streek over de jonge borsten
van onze vrouwelijk proefpersoon
en, ja, de door haar hersencellen aangedreven apparaten
zuchtten en in onze microscopen zagen we
in haar moleculen melkwegen van verlangen.
Wij zoeken nog koortsachtig naar formules”
Aldus enkele opgetogen, onbedoeld lyrische citaten
uit hun verslag
Ik ging naar moeder om haar terug te zien
Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en
leeg, als keek zij naar de verre overzijde
van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien
- toen ik daar stond op het gazon, pilsje gedronken
in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd
ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid –
misschien zou ’t goed zijn als nu Psalmen klonken.
Het was mijn moeder, het lijfje dat dar roer-
loos stond in ‘t gras, alleen haar dunne haren
bewogen nog een beetje in de wind, als voer
zij over stille waatren naar een oneindig daar en
later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
Hem Zijn belofte na te komen, haar te bewaren.
GEITJE VAN GUBBELS, POTLOOD OP PAPIER[2]
We waren een kleine jongen en een klein dier
we konden elkaar voelen, ruiken, horen en zien
we wisten precies wie wij waren
we leefden in een zonlichte tuin onder een boom
we leefden altijd, aan niets kwam een einde
zij is er niet meer en ik ben ver van daar en van
toen, niemand herinnert zich mij, ook ik niet
zij zou haar kop in mijn kruis moeten duwen
op mijn vingers bijten, appels en gras moeten ademen
in mijn gezicht, dun moeten mekkeren in mijn nek
en met haar scheven ogen door mij heen kijken
maar zij is er niet meer en ik, ik ben nu hier
met geitje in potlood op papier, een witte droom
waarin het is getekend en ontglipt
EEN TUIN IN AVOND
Er gebeuren dingen hier en ik ben de enige
die weet welke
ik zal ze noemen en ook zeggen waarom
er staat een oude tuinbank onder de appelboom
er ligt een oude voetbal in het gras
er komen oude geluiden uit het huis
er is oud licht in lucht
dit gebeurt hier: een tuin in avond
en wat je niet hoort en niet ziet – de plekken
waar we kuilen groeven en
die huilend dichtgooiden
ik vertel dit omdat ik niet alleen wil zijn
voordat ik het ben
[1] Dit gedicht werd geschreven bij de opening van de nieuwe brug bij Zaltbommel
[2] Dit gedicht werd geschreven bij een tekening van KLaas Gubbels en uitgegeven door De geiten Pers te Brummen ter gelegenheid van de jaarwisseling 1995-1996