.jpg)
winnaar 1997
Gerrit Kouwenaar - Uit: ‘de tijd staat open’ - 1997
De afdeling: kijk, het heeft gewaaid
Hoe besterft men de tijd, erft men
het steenrijk gedicht, de nachtegaal slaat
met stalen nagels de taal dicht
steeds weer waait stof in de klok, sneeuw
houdt de moederkoek warm, legvers ontpelt
zich het ei op de gloeiende lei
als de liefde nog eenmaal bestierf, in ander
mans vlees zich verteerd had, hoe
zou het bloeden als inkt
niet zo wit was -
Kijk, het heeft gewaaid
op het kleine bladstille plein
lagen groene bladeren die er niet hoorden
het was een zomer zoals het behoorde
totaal als de oorlog die elders woedde
terwijl de stad als een bom lag te dromen
moest er een droom zijn geweest die niet droomde
iets om even te schrikken, in woorden, terwijl
de rivier de vrienden voorbijstroomde
zij spraken over taalgebruik tandbederf aan
staande doden, schatten de roerloze tegenoever
prezen de dag tot diep in het donker, het was
zoals het altijd geweest was -
De afdeling: volledig zonder betekenis
De zomer is grijs deze zomer
helder maar grijzer, doorzichtig maar zwaarder
alsof er een haarfijne as daalt over het eten
alsof men een eender lichaam geleden
kijkt naar zijn vader die beige en levend
het gazon van het paradijs maait
de zomer is grijs als melk in een beker
als brood in een oorlog, men hoort
het donker onder de stenen
De afdeling: de tijd staat open
de tijd staat open
De tijd staat open, het hijgt aan weerszijden
of avond en donker elkander omarmen, het slaapt
dat het kraakt in de stokoude boomgaard, zwanger
van wanvruchten galappels wormen
in het huis het gemor van adem, van data
dat de nachtschade hangt aan zijn leven
dat de zaaier ontkiemt in zijn veldbed
dat de groene woorden als kersen bederven
bij vlagen het heden, de vragen, gesteun
van de lage eenmalige bomen om een lange totale
genadige zomer, om najaar, om winter -
men moet
Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen
men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder
men moet de zonnen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren
men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen
men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge -
