.jpg)
winnaar 1994
Hugo Claus - Uit: ‘De Sporen’ - 1994
I De Sporen
In het midden
IX
Dat lied van mij verdient de naam van lied niet.
Het zoekt zijn maat, het krijgt geen toon,
het kwakkelt, hinkt en struikelt
over elke betekenis.
Het wil zeggen dat de sneeuw van weleer,
dat het brood en de wijn van vroeger,
dat de vrouw onvertrouwd en toch uitverkoren
er waren in zijn tijd op aarde of niet.
Het lied zegt, ik kan het nog net verstaan,
dat het staat te sterven van de dromen.
II Gezegden
V
Zo zei de dorpsgek:
De heksen komen eraan, zij roeien met osseribben
in een zeef over de zee onder de maan.
Te laat om te weerstaan. De donkerste
kruipt tussen je dekens zonder kleren aan,
wreed als een kat
met een dode muis tussen haar dijen.
Leg zeis en sikkel weg en alles wat kan snijen.
Door alle wateren zal zij waden,
het loof doen ontbladeren,
zij blijft in je huis, zij telt er je geld
en elke morgen zwelt je ziel en vervelt.
V Vijf nenia’ s
M.
Jij die dagelijks klauwde naar de zoldering,
jij die nu bij verstek,
jij verliefd op een dubbele liefde,
een van kwikzilver, een van modder.
Je kwam niet lenig van de grond.
Ook de laatste keer niet, ik weet het
want dagelijks zie ik je op die tafel staan.
God geve dat je dronken was, straal,
ladderzat waar geen ladder was,
men haalde er een, knoopte je los
en ook toen was ik er niet,
ook toen liet ik jou in de benauwde koude.
Je teistert mij met een stil gerucht,
amper hoorbaar zijn
je naakte natte zolen in een huis
dat te wit was om ons te verbergen.
Jij ooit een soort geluk op handen en voeten
voor wij veranderden van zwaarte
in een steeds vreemdere klaarte,
in elkaars gemis.
Een keer te veel heb ik mijn schouders opgetrokken,
een keer te lang gewacht om je te verjagen
van die tafel, jouw enige plek.
Nu pas raak je mij volmaakt
met je glimlach om niets, om het niets.
