Nieuws

Deventer dichttalenten door naar landelijke finale

31-01-2012

Lees meer

Winaars VERS PoëzieRevue Oss bekend

30-01-2012

Lees meer

Jan Lauwereyns wint VSB Poëzieprijs 2012

26-01-2012

Lees meer

Winnaars VERS PoëzieRevue Gouda

26-01-2012

Lees meer

Friese dichttalenten door naar landelijke finale

25-01-2012

Lees meer

VERS PoëzieRevue`s in Sneek, Gouda, Oss en Deventer

24-01-2012

Lees meer

Winnaars VERS PoëzieRevue Amsterdam bekend

05-12-2011

Lees meer

« Nieuwer  |  Ouder »
Nieuws archief:
2010 | 2009 | 2008 | 2007
VERS / schoolderpoëzie
Postbus 11755
1001 CT Amsterdam
tel: 020 3307817
fax: 020 4279593
mail:

Hugo Claus

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

winnaar 1994

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hugo Claus    -    Uit: ‘De Sporen’        -    1994



I De Sporen

In het midden
IX


Dat lied van mij verdient de naam van lied niet.
Het zoekt zijn maat, het krijgt geen toon,
het kwakkelt, hinkt en struikelt
over elke betekenis.
Het wil zeggen dat de sneeuw van weleer,
dat het brood en de wijn van vroeger,
dat de vrouw onvertrouwd en toch uitverkoren
er waren in zijn tijd op aarde of niet.
Het lied zegt, ik kan het nog net verstaan,
dat het staat te sterven van de dromen.



II Gezegden
V
Zo zei de dorpsgek:



De heksen komen eraan, zij roeien met osseribben
in een zeef over de zee onder de maan.
Te laat om te weerstaan. De donkerste
kruipt tussen je dekens zonder kleren aan,
wreed als een kat
met een dode muis tussen haar dijen.
Leg zeis en sikkel weg en alles wat kan snijen.
Door alle wateren zal zij waden,
het loof doen ontbladeren,
zij blijft in je huis, zij telt er je geld
en elke morgen zwelt je ziel en vervelt.


V Vijf nenia’ s
M.


Jij die dagelijks klauwde naar de zoldering,
jij die nu bij verstek,
jij verliefd op een dubbele liefde,
een van kwikzilver, een van modder.

Je kwam niet lenig van de grond.
Ook de laatste keer niet, ik weet het
want dagelijks zie ik je op die tafel staan.

God geve dat je dronken was, straal,
ladderzat waar geen ladder was,
men haalde er een, knoopte je los
en ook toen was ik er niet,
ook toen liet ik jou in de benauwde koude.

Je teistert mij met een stil gerucht,
amper hoorbaar zijn
je naakte natte zolen in een huis
dat te wit was om ons te verbergen.

Jij ooit een soort geluk op handen en voeten
voor wij veranderden van zwaarte
in een steeds vreemdere klaarte,
in elkaars gemis.

Een keer te veel heb ik mijn schouders opgetrokken,
een keer te lang gewacht om je te verjagen
van die tafel, jouw enige plek.

Nu pas raak je mij volmaakt
met je glimlach om niets, om het niets.
 

random