Nieuws

Presentatie Clips

23-06-2010

Lees meer

Winnaars PITCH Sneek bekend

10-06-2010

Lees meer

VMBO Groen uit Sneek maakt filmplannen

18-05-2010

Lees meer

v e r s Poëziewedstrijd Open Inzendingen

12-05-2010

Lees meer

De eerste v e r s PoëzieClips

27-04-2010

Lees meer

Fotoverslag jonge filmers in Zwolle

21-04-2010

Lees meer

Dichttalenten in Rotterdam

15-04-2010

Lees meer

« Nieuwer  |  Ouder »
Nieuws archief:
2010 | 2009 | 2008 | 2007
v e r s / schoolderpoëzie
Postbus 11755
1001 CT Amsterdam
tel: 020 3307817
fax: 020 4279593
mail:

Leo Vroman

 

 

 

 

 

 

 

 

 

winnaar 1996

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leo Vroman    -    Uit: ‘Psalmen en andere gedichten’ - 1996


Veertien psalmen


PSALM I

Systeem! Gij spitst geen oog of baard
en draagt geen slepend kleed;
hij die in U een man ontwaart
misvormt U naar zijn eigen aard
waar hij ook niets van weet.

Systeem, ik noem U dus geen God,
geen Heer of ander Woord
waarvan men gave en gebod
en wraak wacht en tot wiens genot
men volkeren vermoordt.

Systeem! Lijf dat op niet gelijkt,
Aard van ons hier en nu,
ik voel mij diep door U bereikt
en als daardoor mijn tijd verstrijkt
ben ik nog meer van U.

 

PSALM III

Systeem! Dat ik in ieder dier
onze verliefdheid voel
en ik tot iedere muis of mier
fluister (‘Liefste, kom eens hier’)
is niet wat ik bedoel,

maar dat ik nu ook ieder blad
van iedere wilde plant
wil zoenen en wil aaien, dat
doet mij aan U vragen: wat
is er hier aan de Hand?

En nu ik ook om iedere steen
zo graag mijn armen sper,
zo maar om een rotsblok heen
en even in haar barstje - neen,
dat gaat Ons toch te ver?

Systeem, ik ben maar één getal
en tel U nog niet goed,
maar dat ik U met mijn verval
zodra dat komt, verminderen zal,
vertel mij hoe dat moet,

O dat ik U met mijn verval
klein maar voorgoed verminderen zal,
waarom, waarom dat moet?

 

PSALM XIII


Oorlog zal de grond in zinken
en onder toegesproken zerken
zal geen levend mens meer merken
van wiens wijn de maden drinken

van welk jong vlees de maden eten
die nieuwste kleine speelgenoten
die niets vragen en niets weten
maar de geliefde kindergaten
overdaig wijd ontbloten
openknagen en vergroten.

Onder de uitgelooide huid
hollen zij hun plooiland uit,
verpoppen tussen blote botten
en tanden keurig klaar met rotten.

Er valt een mumiestilte maar de
opperhuid is nu de aarde,
voelt of zij de onze is
en vraagt ons wat dat bonzen is?
Dat zijn de nieuwe kindervoeten
die alweer hetzelfde moeten
doen wat al zo vaak vergaan is.
Waar dan die vliegenzwerm vandaan is?

Daar zullen gauw weer eitjes zijn
die wachten op de nieuwe wijn.

Systeem! Is dit Uw stemgeluid?
Leg ons dan nog eens aan ons uit

 


BINNENSNEEUW

I

De verste mensen zijn de vreselijkste beesten.
Dan brul ik Houdt daar nemand op met moorden
Maar westergieren, zuid- en oostergeesten
schieten door en door, en onbegrepen beren
vallen witgeworden in het noorden.

Graag steeg ik op in bijna witte kleren -
van die lange en van onderen wat gekruld
samen met wolken als een slagroomtaart
met klappernoot gevuld
half dood in halve hemelvaart

Maar er zijn ganzen opgesloten in mijn kasten
en ik lig vastgebonden op een grond
waarvan de onderkant door anderen is gehuurd
en laster de buren lasterend over buren

Ganzen zo groot als echte dieren
Harder en harder groeit een eeuwigheid
waarin kleiner en kleiner wordt geloofd

Witte veren kruipen uit de kieren
Wacht maar  ik wachtmaar op de tijd
dat het geklapper mij verdooft.

 

HET LEVEN EN TV

Nee nee,
het leven valt niet mee
Dat zag ik in twee
minuten op tv.

Daar stond in een lage mist
dagenlang een moeder olifant
naast haar doodgeboren kind.

Daar stond nachten lang
die Moeder Olifant
op een wonder te wachten.

Toen pas keerde ze zich af
en sukkelde in trage draf
haar kudde achterna.

Ik had hier in de stille straat
een huis voor haar moeten bouwen.
We hebben hier ook dergelijke vrouwen.
Een geweldig tv-apparaat
waar ze desnoods met een biertje
naar zouden kijken allemaal
maar niet naar de cassette
van haar traag ja tragische verhaal.

Onzin.
Maar wel had ik haar gezegd:
‘ Het leven blijft altijd
een heksendans van
schijnbare kans
en scheve rechtvaardigheid,

liefste’ dat had ik haar graag gezegd
en mijn hand heel even
op haar hete slurf gelegd.

 

DE MAAS THUIS
                                                      Voor het jubileum van de IVN

Van verre liggen de lage landen
onder dikke fluisterende rivieren
en boeren waden met hun trage vee
als verlate duistere waterdieren
over de bodem van de zee.

Maar toen waren we weer hier en
leefden met de stroming mee.

De Maas was immers zo’ n rivier
stil als een lading onbesteld
gebruikt onplooibaar pakpapier
op weg naar een vuilnisbelt.

Toch, vandaag in het schemerlicht,
zagen we haar stijgen
als een koorstig kind half opgericht
en hoorden het hijgen.

Die nacht moest ik haast van haar dromen
hoorde de regenvlagen
tegen haar wangen slaan,
kon haar gemompel haast verstaan,
hoorde haar vragen
of ze bij ons in bed mocht komen.

Maar ze is al zo groot
vreesden wij en zo sterk
reeds met haar zware achterwerk
heet en koud in mijn schoot

Ik dacht aan de dood, ik dacht
zo moet het zijn, dat wij verdrinken
niet als een kwaadaardig zinken
maar door een aardig kind verkracht.
 

En het is onze schuld:
donderend laten wij de tijd
door het kinderlichaam stromen
en we hebben geen geduld
om te waden door de dromen
waar het kind mee wordt gevuld
en waarin haar vuile bedding slijt
 

random